| Inhoudsopgave |
|---|
| s0910c08 Naklank Grigory Sokolov |
| Pagina 2 |
| Pagina 3 |
| Pagina 4 |
| Alle pagina's |
Als laatste concert in de serie van de Nijmeegse Stichting voor Kamermuziek was de Russische pianist Grigory Sokolov te horen. De verwachtingen waren hooggespannen; berichten als “Grootmeester onder de Grootmeesters”, uitverkochte zaal in Amsterdam, “zijn (pianistische) mogelijkheden beginnen waar die van anderen ophouden”, brachten veel extra publiek naar De Vereeniging. Ook hier hoorde men zijn indrukwekkende pianospel eerder, in 2000 en 2007, en dat was de reden hem nogmaals te laten optreden.
En plotseling stond hij daar dan in de spaarzaam verlichte Grote Zaal, en dankend voor het applaus met een korte buiging schoof hij op de pianokruk en begon meteen met Bach’s tweede Partita. De puristen ten spijt, die menen dat Bach alleen op een klavecimbel gespeeld moet worden, werd de dynamiek van de moderne concertvleugel ten volle benut om deze Partita welhaast monumentale allure te geven. Een dergelijke uitvoering ontstijgt verre de toelichting van Bach bij de in 1731 verschenen uitgave van de Partita’s als zijnde “Clavir Übung denen Liebhabern zur Gemüths Ergoetzung verfertigt”!
Het zoekende begin van de Sinfonia, het strak gespeelde Andante met de fuga-achtige afsluiting, de broze klanken van de Sarabande, en de dansende ritmiek van Rondeaux en Capriccio waren een feest voor het gehoor.
Ruim anderhalve eeuw later componeert Brahms in zijn laatste levensfase zijn 7 Fantasien op. 116, waarmee we belanden in de wereld van de Duitse Romantiek. De drie uitbundige Capriccio’s uit deze reeks kregen op de concertvleugel wel een erg forse aanpak, met een mijns inziens voor Brahms een te veel fortissimo. Toch weer verbazend hoe Sokolov het klaar speelt, in het middendeel van het tweede Capriccio, de akkoordenmelodie zó gebonden te spelen als betrof het een ééntonig wijsje. Menig amateur-pianist zal zijn wenkbrauwen hebben opgetrokken bij de tempovrijheden die Sokolov zich veroorloofde in de vier Intermezzi, maar ze blijven één geheel door de fraaie tekening van de melodie en onvermoede accenten die de grootmeester weet aan te brengen; en wie heeft het eerste Intermezzo zo onaards schoon gehoord als op deze avond?!
Na de pauze vervolgde Sokolov zijn programma met de zeer zelden gespeelde derde Sonate van Schumann. De goed gedocumenteerde programmatoelichting vermeldt de ontstaanswijze van deze Sonate (in 1836) en het gebruik van het “Andantino-motief” van Clara Wieck, dat Schumann zo sterk met haar verbond. Het vijftonig afdalend motief, dat aan het begin van het eerste deel als een soort statement geponeerd wordt, speelt in alle volgende delen –min of meer gemaskeerd- een rol en is in het middendeel de kern van de variaties.
Dit stuk is begrijpelijk een kolfje naar de hand van Sokolov; met zijn enorme techniek en gevoel voor klankverhoudingen brengt hij schijnbaar moeiteloos structuur en tekening aan in het complexe werk.
Het laatste deel (Presto Possibile) klonk betoverend; een caleidoscoop van klanken met ostinato motieven doorweven met een fraaie melodie (verwant aan het Clara-motief) in een vraag-en-antwoord spel. In het middendeel kwamen twee variaties aan de orde die noch in de Peters-uitgave, noch in de Schirmer-uitgave voorkomen; het virtuoze karakter doet vermoeden dat ze speciaal voor Moscheles, aan wie de Sonate is opgedragen, zijn geschreven.
Nadat de laatste akkoorden geklonken hadden en je eigenlijk nog wel meer wilde horen, volgden er gelukkig nog twee toegiften; de zeer introverte zesde Prelude uit de “24 Preludes” van Chopin en de daarmee sterk contrasterende zestiende Prelude, een stormachtige bijna-etude die door de destijds vermaarde Alfred Cortot “la course à l’abîme” als opschrift kreeg. Uiteraard wil ik hiermede ten aanzien van deze avond niet gaan doemdenken, maar hopen dat Sokolov nog velen van zijn ongeëvenaarde pianospel kan laten genieten en dat hij ook nog eens terugkeert naar Nijmegen!
Bas van Nooten, oud-bestuurslid
