| Inhoudsopgave |
|---|
| s0910c05 - Leipzigers - Tal en Groethuysen - lange toelichting |
| Pagina 2 |
| Pagina 3 |
| Pagina 4 |
| Pagina 5 |
| Pagina 6 |
| Pagina 7 |
| Pagina 8 |
| Alle pagina's |
Pagina 7 van 8
OktetZestien jaar is Felix Mendelssohn als hij zijn Oktet schrijft. Wie veronderstelt van doen te hebben met een jeugdwerk, heeft dus gelijk. Maar het Oktet is beslist geen vroege compositie in de betekenis van: vol charme maar toegerust met een aantal (onvermijdelijke) gebreken. Wie dat zou denken wordt dringend aanbevolen het jubelende hoofdthema van het eerste deel op zich te laten inwerken. Dit Allegro moderato ma con fuoco is van een overweldigende zeggingskracht, zoals trouwens de gehele compositie als een zeldzaam gespannen muzikale boog vol aaneengeregen expressieve momenten moet worden gezien. Het bijzondere van het stuk schuilt in zijn volstrekt doorgevoerde polyfone behandeling van de acht instrumenten. Nergens is er sprake van twee homofoon opererende strijkkwartetten – zoals bijvoorbeeld in vergelijkbare composities van Louis Spohr – maar elk instrument speelt letterlijk (en figuurlijk) zijn eigen rol. Dat de componist hiermee een sterke symfonische uitstraling voor ogen stond, bewijst een brief aan zijn zus Fanny waarin hij opmerkt: “Dit Oktet moet door alle instrumenten in de stijl van een symfonisch orkestwerk worden gespeeld. Met aanduidingen als piano en forte sterker benadrukt dan gewoonlijk”.
